Beëindiging van een aannemingsovereenkomst

Publicatie van mr. Jacob Henriquez, Ploum Rotterdam Law Firm, preferred partner van Liesker

Twee manieren waarop een opdrachtgever een aannemingsovereenkomst kan beëindigen is door opzegging (art. 7:764 BW) of door ontbinding (6:265 BW).

 

Er zijn gevallen denkbaar waarin een opdrachtgever meent dat er gronden zijn voor ontbinding van de aannemingsovereenkomst. Denk aan de situatie waarin de aannemer is tekortgeschoten in de nakoming van een verbintenis uit de aannemingsovereenkomst en de opdrachtgever meent dat de tekortkoming de ontbinding van de aannemingsovereenkomst rechtvaardigt.

Wanneer de aannemer het er niet mee eens is, ontstaat een geschil dat dikwijls door een arbiter van de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen wordt beslecht wanneer partijen die forumkeuze in de aannemingsovereenkomst hebben gemaakt. Zowel de UAV 2012 als de UAV-GC 2005 bevatten bepalingen op grond waarvan arbiters van de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen bevoegd zijn om geschillen tussen opdrachtgever en aannemer te beslechten.

In dat soort procedures gaat het dan vaak over de vraag of de tekortkoming een ontbinding van de aannemingsovereenkomst – met haar gevolgen – wel rechtvaardigt. Aannemer bepleit dan vaak dat sprake is van opzegging.

Het komt steeds vaker voor dat indien de arbiter tot de conclusie komt dat de tekortkoming de ontbinding van de aannemingsovereenkomst niet rechtvaardigt, hij overgaat tot conversie van de (gevorderde of reeds uitgebrachte) ontbindingsverklaring als een opzegging, met alle (financiële) gevolgen van dien. De gevolgen van opzegging en ontbinding zijn namelijk anders.

Zo geschiedde ook in het arbitrale vonnis RvA 17 juni 2021, nr. 36.968, waarin opdrachtgever ontbinding heeft gevorderd. De gevorderde ontbinding is echter ‘automatisch’ geconverteerd in een opzegging van de aannemingsovereenkomst, omdat de arbiter er niet van overtuigd was dat de tekortkoming van de aannemer een ontbinding rechtvaardigt.

Het is deze ‘conversie’ en het automatisme waarmee het in dit vonnis en in sommige andere recente vonnissen van arbiters van de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen wordt toegepast, waar ik enige moeite mee heb.

De crux in dit soort situaties is of aan de hand van gedragingen van opdrachtgever kan worden aangenomen dat sprake is van een stilzwijgende opzegging door opdrachtgever. Die gedragingen moeten worden bezien tegen de achtergrond van de opzeggingsbevoegdheid, namelijk als een uitvloeisel van het algemeen beginsel dat een schuldeiser als regel niet verplicht is de hem verschuldigde prestatie aan te nemen.

Het enkele feit dat een opdrachtgever in verzuim is (in casu met de betaling van enkele termijnfacturen) kan in mijn optiek niet zonder meer worden uitgelegd als een stilzwijgende opzegging van de aannemingsovereenkomst door opdrachtgever, met alle gevolgen van dien.

Advocaten en notarissen | Ploum Rotterdam Law Firm